(Engels)

A few weeks ago, I was watching Paul Bennett, who was one of the guest speakers at the annual TED conference. He, as a creative director, was propagating new ways in thinking of problem solving and solution finding. Doing so by trying to think “out of the box”, as he said. That inspired me into writing this post: Rethinking cooperation.

When we collaborate, each of us contributes special powers (trumps) to raise the efficiency or quality of the collective effort as a well oiled chain. This type of cooperation could be problematic if a key member decides to split, because we are depending on each other’s effort. A chain is no stronger than its weakest link, so this could jeopardize the collective effort. Why does, in this example and in many other projects, the collective rely on such a fragile structure? When the individuals pass on their knowledge to their colleagues, they will obviously loose their trump and become replaceable. The collective effort will, on the one hand, benefit from this, because it does not rely on the contribution of one individual anymore. But, on the other hand, the individual looses its competitive advantage and becomes replaceable. Could there not be a way for the two interests to converge?

Maybe we could find a solution, when we take a look beyond sociology into the realms of data management and push ourselves into thinking in metaphors. Hard drives can work together in several combinations (RAID-0 / -5). Each of these combinations have different aims (qualities). RAID-0 combines speed with quantity, but jeopardizes the integrity of the data. Hence, to jeopardize the collective effort when a key member splits. RAID-5, for many companies is the most reliable and fastest solution for data management. A few hard drives are ’sacrificed’ to maintain the greater good (Every member of a project has, besides its own knowledge, a little bit of knowledge of the other members). The RAID-5 solution does not work as fast as RAID-0, but is more reliable. (RAID-5 as a metaphor, could be labour intensive, but could spare a project member).

This brings me to the notion of ‘free cooperation’, which I will go into later on…

(Dutch)

Persoonlijke noot: de combinatie van mijn studie en het werk van mijn moeder hebben mij geïnspireerd om een onderzoek te richten op gehandicapten binnen de context van nieuwe media. Mijn moeder werkt voor Sensis, een organisatie die zich inzet voor mensen met een visuele handicap. Dit document is een oriënterende aanzet voor een masterthesis. Het onderwerp dat in dit artikel wordt behandeld, vormt een solide basis voor de masterthesis en zal een hoofdstuk voortbrengen over mensen met een handicap binnen een digitale wereld. De term handicap wordt in dit artikel vervangen door het Engelse woord: ‘disability’, omdat deze term gebruikelijk is binnen de context van de ‘disability studies’.

Mijn onderzoeksvraag luidt: is de wetgeving omtrent mensen met een handicap, in relatie tot telecommunicatie of nieuwe media, toereikend? Om deze vraag te kunnen beantwoorden wordt op dit moment alleen de Amerikaanse wetgeving onderzocht, omdat er nog geen literatuuronderzoek is gedaan naar de Nederlandse wetgeving op dat gebied. In de masterthesis wordt dit wel onderzocht.

Deze vraag wordt beantwoord door eerst een theoretisch kader te stellen. Dit kader wordt in de volgende sectie geschetst door een zestal termen die de periferie vormen voor de casus. Deze wordt verderop in dit artikel geanalyseerd. (1) ‘disability’, (2) ‘accessibility’, (3) internettoegankelijkheid, (4) ‘digitale devide’, (5) ‘locatieve media’ en (6) ’handi-capabilitiet’. De centrale term voor dit onderzoek is ‘disability’ of ‘digital disability’. Gerard Goggin en Christopher Newell hebben een boek gewijd aan deze term. In de volgende passage worden de termen behandeld.

Download document

(Dutch)

Vorig jaar is er een onderzoek gedaan naar de toereikendheid van de Nederlandse wetgeving omtrent digitale persoonsgegevens. Hierin wordt gesteld (Bisseling, 2007) dat we op dit moment in een overgangsfase zitten van conventionele, analoge identificatie naar digitale virtuele identificatie. Daarbij speelt het wederzijdse vertrouwen tussen de overheid en de burger een centrale rol. Dit vertrouwen wordt problematisch als de identiteit niet met zekerheid kan worden vastgesteld. De technieken kunnen immers nog steeds niet aantonen dat ‘jij wel diegene bent die je beweert te zijn’. Het ontbreken van deze zuivere identificatie kan veel gevolgen hebben voor het vrij bewegen in de virtuele en fysieke ruimtes.

De persoonsgegevens die aan verschillende instanties of organisaties worden verstrekt, worden in databanken opgeslagen. Daarmee zijn ze gemakkelijk te verwerken en voor verschillende instanties of personen beschikbaar te stellen. Dankzij computers kan de overheid tal van ingewikkelde wetten doelmatig uitvoeren en de burger optimaal van dienst zijn. Ook particuliere organisaties en bedrijven kunnen door geautomatiseerde gegevensverwerking efficiënter werken. Maar tegelijkertijd is het moeilijker geworden om te achterhalen welke persoonsgegevens door landen, organisaties en bedrijven zijn vastgelegd, waar die gegevens voor worden gebruikt en aan wie ze worden doorgegeven. Dit is in de wetgeving vastgelegd. De persoonsgegevens die worden gebruikt, moeten juist en volledig zijn. Ze mogen ook alleen worden gebruikt voor het doel waar de burger ze voor verstrekt heeft. Sommige gegevens zijn vertrouwelijk en moeten zodanig worden behandeld, dat ze uitsluitend worden vastgelegd door de persoon of instantie die ze nodig heeft. Ze mogen niet verder worden verspreid dan noodzakelijk is. Het zijn immers persoonlijke gegevens.

Een voorbeeld waarin de privacy van de burgers in het geding komt is de ophanden zijnde overeenkomst tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie. Er wordt onderhandeld over het verstrekken van Personal Name Records (PNR) door luchtvaartmaatschappijen aan Amerikaanse autoriteiten in het kader van terrorismebestrijding. Drie belangen komen samen; de financieel-economische belangen van de luchtvaartmaatschappijen; de uitwisseling van persoonsgegevens in het belang van de veiligheid en de handhaving van de principes van de bescherming van persoonsgegevens in de wet bescherming persoonsgegevens. De passagiers dreigen essentiële rechten te verliezen als er geen controle meer kan zijn op het gebruik van de passagiersgegevens door de Amerikaanse autoriteiten. Als de belangen van de luchtvaartmaatschappijen en de Amerikaanse autoriteiten zwaarder wegen dan de privacy van een passagier, dan kunnen de passagiers ook geen beroep meer doen op de rechtsbescherming in geval van foutief gebruik van hun persoonsgegevens [PNRdossier 2007].

Download document