(Dutch)

Op dit moment zitten we in een overgang van conventionele, analoge identificatie naar digitale virtuele identificatie. Daarbij speelt het wederzijdse vertrouwen tussen de overheid en de burger een centrale rol. Dit vertrouwen wordt problematisch als de identiteit niet met zekerheid kan worden vastgesteld. De technieken kunnen immers nog steeds niet aantonen dat ‘jij wel diegene bent die je beweert te zijn’. Het ontbreken van deze zuivere identificatie kan veel gevolgen hebben voor het vrij bewegen in de virtuele en fysieke ruimtes. De persoonsgegevens die aan verschillende instanties of organisaties worden verstrekt, worden in databanken opgeslagen. Daarmee zijn ze gemakkelijk te verwerken en voor verschillende instanties of personen beschikbaar te stellen.

Dankzij computers kan de overheid tal van ingewikkelde wetten doelmatig uitvoeren en de burger optimaal van dienst zijn. Ook particuliere organisaties en bedrijven kunnen door geautomatiseerde gegevensverwerking efficiënter werken. Maar tegelijkertijd is het minder makkelijk geworden om te achterhalen welke persoonsgegevens door landen, organisaties en bedrijven zijn vastgelegd, waar die gegevens voor worden gebruikt en aan wie ze worden doorgegeven. Dit is in de wetgeving vastgelegd. De persoonsgegevens die worden gebruikt, moeten juist en volledig zijn. Ze mogen ook alleen worden gebruikt voor het doel waar de burger ze voor verstrekt heeft. Sommige gegevens zijn vertrouwelijk en moeten zodanig worden behandeld, dat ze uitsluitend worden vastgelegd door de persoon of instantie die ze nodig heeft. Ze mogen niet verder worden verspreid dan noodzakelijk is. Het zijn immers persoonlijke gegevens.

Een voorbeeld waarin de privacy van de burgers in het geding komt is de ophanden zijnde overeenkomst tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie. Er wordt onderhandeld over het verstrekken van passagiersgegevens (PNR) door luchtvaartmaatschappijen aan Amerikaanse autoriteiten in het kader van terrorismebestrijding. Drie belangen komen samen; de financieel-economische belangen van de luchtvaartmaatschappijen; de uitwisseling van persoonsgegevens in het belang van de veiligheid en de handhaving van de principes van de bescherming van persoonsgegevens in de wet bescherming persoonsgegevens. De passagiers dreigen essentiële rechten te verliezen als er geen controle meer kan zijn op het gebruik van de passagiersgegevens door de Amerikaanse autoriteiten. Als de belangen van de luchtvaartmaatschappijen en de Amerikaanse autoriteiten zwaarder wegen dan de privacy van een passagier, dan kunnen de passagiers ook geen beroep meer doen op de rechtsbescherming in geval van foutief gebruik van hun persoonsgegevens. [PNR-dossier 2007]

Aan de hand van deze casus komen we tot de onderzoeksvraag: Is de wet voor bescherming van persoonsgegevens nog wel toereikend in de digitale wereld van nu? En zo nee, op welke onderdelen zou de wet dan nog verbeterd kunnen worden? Klik hier voor de scriptie.

(Dutch)

Persoonlijke noot: de combinatie van mijn studie en het werk van mijn moeder hebben mij geïnspireerd om een onderzoek te richten op gehandicapten binnen de context van nieuwe media. Mijn moeder werkt voor Sensis, een organisatie die zich inzet voor mensen met een visuele handicap. Dit document is een oriënterende aanzet voor een masterthesis. Het onderwerp dat in dit artikel wordt behandeld, vormt een solide basis voor de masterthesis en zal een hoofdstuk voortbrengen over mensen met een handicap binnen een digitale wereld. De term handicap wordt in dit artikel vervangen door het Engelse woord: ‘disability’, omdat deze term gebruikelijk is binnen de context van de ‘disability studies’.

Mijn onderzoeksvraag luidt: is de wetgeving omtrent mensen met een handicap, in relatie tot telecommunicatie of nieuwe media, toereikend? Om deze vraag te kunnen beantwoorden wordt op dit moment alleen de Amerikaanse wetgeving onderzocht, omdat er nog geen literatuuronderzoek is gedaan naar de Nederlandse wetgeving op dat gebied. In de masterthesis wordt dit wel onderzocht.

Deze vraag wordt beantwoord door eerst een theoretisch kader te stellen. Dit kader wordt in de volgende sectie geschetst door een zestal termen die de periferie vormen voor de casus. Deze wordt verderop in dit artikel geanalyseerd. (1) ‘disability’, (2) ‘accessibility’, (3) internettoegankelijkheid, (4) ‘digitale devide’, (5) ‘locatieve media’ en (6) ’handi-capabilitiet’. De centrale term voor dit onderzoek is ‘disability’ of ‘digital disability’. Gerard Goggin en Christopher Newell hebben een boek gewijd aan deze term. In de volgende passage worden de termen behandeld.

Download document

(Dutch)

Vorig jaar is er een onderzoek gedaan naar de toereikendheid van de Nederlandse wetgeving omtrent digitale persoonsgegevens. Hierin wordt gesteld (Bisseling, 2007) dat we op dit moment in een overgangsfase zitten van conventionele, analoge identificatie naar digitale virtuele identificatie. Daarbij speelt het wederzijdse vertrouwen tussen de overheid en de burger een centrale rol. Dit vertrouwen wordt problematisch als de identiteit niet met zekerheid kan worden vastgesteld. De technieken kunnen immers nog steeds niet aantonen dat ‘jij wel diegene bent die je beweert te zijn’. Het ontbreken van deze zuivere identificatie kan veel gevolgen hebben voor het vrij bewegen in de virtuele en fysieke ruimtes.

De persoonsgegevens die aan verschillende instanties of organisaties worden verstrekt, worden in databanken opgeslagen. Daarmee zijn ze gemakkelijk te verwerken en voor verschillende instanties of personen beschikbaar te stellen. Dankzij computers kan de overheid tal van ingewikkelde wetten doelmatig uitvoeren en de burger optimaal van dienst zijn. Ook particuliere organisaties en bedrijven kunnen door geautomatiseerde gegevensverwerking efficiënter werken. Maar tegelijkertijd is het moeilijker geworden om te achterhalen welke persoonsgegevens door landen, organisaties en bedrijven zijn vastgelegd, waar die gegevens voor worden gebruikt en aan wie ze worden doorgegeven. Dit is in de wetgeving vastgelegd. De persoonsgegevens die worden gebruikt, moeten juist en volledig zijn. Ze mogen ook alleen worden gebruikt voor het doel waar de burger ze voor verstrekt heeft. Sommige gegevens zijn vertrouwelijk en moeten zodanig worden behandeld, dat ze uitsluitend worden vastgelegd door de persoon of instantie die ze nodig heeft. Ze mogen niet verder worden verspreid dan noodzakelijk is. Het zijn immers persoonlijke gegevens.

Een voorbeeld waarin de privacy van de burgers in het geding komt is de ophanden zijnde overeenkomst tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie. Er wordt onderhandeld over het verstrekken van Personal Name Records (PNR) door luchtvaartmaatschappijen aan Amerikaanse autoriteiten in het kader van terrorismebestrijding. Drie belangen komen samen; de financieel-economische belangen van de luchtvaartmaatschappijen; de uitwisseling van persoonsgegevens in het belang van de veiligheid en de handhaving van de principes van de bescherming van persoonsgegevens in de wet bescherming persoonsgegevens. De passagiers dreigen essentiële rechten te verliezen als er geen controle meer kan zijn op het gebruik van de passagiersgegevens door de Amerikaanse autoriteiten. Als de belangen van de luchtvaartmaatschappijen en de Amerikaanse autoriteiten zwaarder wegen dan de privacy van een passagier, dan kunnen de passagiers ook geen beroep meer doen op de rechtsbescherming in geval van foutief gebruik van hun persoonsgegevens [PNRdossier 2007].

Download document